Voor onze klanten maar snel samengevat: in het regeerakkoord is een groot aantal fiscale maatregelen voorgesteld. Die over de inkomstenbelasting zijn onderstaand kort samengevat:

  • Invoering tweeschijvenstelsel van 36,93% en 49,5% (vanaf € 68.800).
  • Verhoging van de algemene heffingskorting met circa € 350 en van de arbeidskorting met circa € 365.
  • Afbouw van de hypotheekrenteaftrek vanaf 2020 in vier jaarlijkse stappen van 3%-punt naar het nieuwe basistarief. Het aftrektarief komt in 2021 op 43%.
  • Verlaging van het eigenwoningforfait met 0,15% per 2020.
  • Afbouw van de zelfstandigenaftrek vanaf 2020 in vier jaarlijkse stappen naar het nieuwe basistarief.
  • Afbouw in dertig jaarlijkse stappen van de fictieve aftrek voor eigen woningen in box 1 waarop geen hypotheek meer rust. Deze fictieve aftrek betekende dat geen inkomstenbelasting betaald werd over een eigen woning waar geen lening meer voor bestond.
  • Box 3 gaat aansluiten bij het werkelijk rendement op spaartegoeden en de vrijstelling wordt verhoogd naar € 30.000 per belastingplichtige. De manier waarop box 3 gaat aansluiten bij het werkelijk rendement is nog niet definitief uitgewerkt.
  • Verhoging box 2 tarief naar 27,3% in 2020 en 28,5% in 2021.

Smullend las ik het regeerakkoord, dat vermeldt voor de fiscale fijnproever namelijk het nodige. Een ervan licht ik eruit. Vooral omdat fiscale archeologie soms hoogst actueel is. Wat is het geval? Uit het regeerakkoord blijkt dat het tarief vennootschapsbelasting vanaf 2019 (wie dan leeft, wie dan zorgt) in drie stappen verlaagd wordt van thans 25% (als de winst hoger is dan EURO 200.000) naar 21%. Het bedrijfsleven en de adviseur kunnen zich weer opmaken voor de nationale sport om kosten en voorzieningen naar voren te halen. Het voelt financieel veel beter om een aftrekpost tegen 25% te noteren dan tegen 21%. Toch?

Klein voorbeeldje. Bij verkoop van een bedrijfsmiddel wil het nog wel eens voorkomen dat u een fiscale winst maakt. U weet wel, de verkoopprijs is hoger dan de boekwaarde zoals deze uit uw fiscale aangifte blijkt. Als u een (aannemelijk te maken) voornemen tot herinvesteren heeft, dan mag u deze fiscale winst toevoegen aan een herinvesteringsreserve. Zolang u dat voornemen blijft houden en aannemelijk maakt, mag u deze herinvesteringsreserve handhaven. Er zit een limiet aan, namelijk drie jaar. Dan moet de herinvesteringsreserve vrijvallen, maar let op: wel tegen het lagere tarief.

De vorige keer dat het tarief naar beneden ging, zelfde laken een pak. Dus u ziet: de historie herhaalt zich. Fiscale archeologie herhaalt zich. En als u hier nog eens over wil praten, u weet ons wel te vinden.

Ronald Lohstro
Jongejan & Partners